Bart

21 Oktober 2015. Een dag die ik nooit meer vergeet.

Proost! Twee glazen cognac klinken tegen elkaar. We nemen allebei een flinke teug, we hebben er immers hard voor gewerkt die dag. Het is twee uur ‘s nachts en er wordt wat gepraat over wat er speelt in de wereld, het leven en uiteraard over vrouwen. De wereld draait door is op tv en we komen beiden tot rust. Ik besef me dat ik een betere band krijg met mijn vader. Geen typische vader-zoon band zoals vroeger maar een vriendschap. De boze man die ik voeger als kind zag is er niet meer en daar zitten we: twee volwassen mannen. Even later is het stil, zijn hoofd en glas cognac hangen beide naar beneden. Een enorm lawaai aan gesnurk volgt. Zijn glas valt op de grond. Wakker worden ouwe, roep ik. En verschrikt wordt hij wakker. We liggen samen in een deuk. Het is tenslotte 05:48 uur. Tijd om te gaan slapen.

Het is 21 Oktober 2015. Ik ben samen met mijn vader aan het werk in het café dat al 5 generaties in onze familie zit. Ik kijk tegen mijn vader op. Hij heeft me altijd goed advies gegeven en heeft een heerlijk nuchtere kijk op alles. Naast ons eigen café werk ik ook nog ik een ander café in Haarlem. Ik wil er meer ervaring opdoen en ik leer er veel. Het is een drukke woensdagavond met eters en borrelaars. Nu ik ergens anders werk heb ik veel commentaar op het werk van mijn vader en lijken de rollen omgedraaid. Waarschijnlijk vindt hij me een enorme betweter, maar hij laat niets merken. Hij is moe zegt hij en met de zweetdruppels op zijn hoofd vult hij op z’n knieën de cola bij. Ik loop naar achter om iets te pakken. Zodra ik terug kom kijkt iedereen in het café me verschrikt aan. ‘‘Wat is er aan de hand?’’ vraag ik en er word naar mijn vader gewezen. Ik draai me om en daar ligt hij, plat op zijn rug achter de bar. Ik schrik en ren ernaartoe. Dit gebeurt toch niet echt? Is dit een film? Meerder vaste gasten zijn om hem heen gaan staan en hebben een defibrillator gepakt. De vrouwenstem van het apparaat klinkt: ‘‘Raak de Patiënt niet aan’’. De politie is aangekomen, zijn overhemd wordt opengerukt en er wordt een enorm apparaat op zijn borstkas gezet. ‘‘Dit kan er heel eng uit zien’’ vertelt een ambulance medewerker mij, maar ik wil per se blijven kijken. Daar sta ik dan. Verschrikt, tranen in m’n ogen en mijn moeder dicht tegen mij aan. ‘‘Dit komt goed’’ zegt ze tegen mij. En ik weet dat het goed komt, want moeders hebben altijd gelijk. Esmée, mijn vriendin, is aangekomen en troost me. We staan buiten in de stromende regen en zien de ambulance wegrijden op weg naar het ziekenhuis. Ik loop naar binnen. Daar staan achter de bar 2 Dubbelbockjes, 2 biertjes. Samen met mijn broer drink ik deze op. Zijn laatst getapte biertjes bleek later, want binnen een uur hoorde we dat het over was.

De dagen erna zijn vreemd en ik word iedere dag met dezelfde gedachte wakker. Was het allemaal een droom? Bij het beneden komen zag ik hem liggen, volledig met Amstel-overhemd en bretels. ‘Wat een grafsfeer hè ouwe’, roep ik en ik schuif een pakje camel in z’n borstzakje. Humor is wat mij troost biedt en juist de harde grappen over de dood maken het verlies nét dat beetje meer draagzaam. Mijn moeder vraagt mij om me te bemoeien met de muziek voor die belangrijke dag. Ik voel me enorm vereerd; muziek is immers mijn passie. Het is daarom dat ik de komende zinnen aan de muziek besteed. Terwijl de kist naar binnen werd gedragen klonk ‘When a man loves a woman’ van Percy Sledge. Dit nummer staat puur voor de liefde tussen mijn ouders. ‘Het Dorp’ van Wim Zonneveld ligt een beetje voor de hand, maar is bijna een op een geschreven over Driehuis; de plek waar mijn vader opgroeide en waar hij alle mensen kende. Ondertussen hebben mijn zussen gesproken. Ik vind het geweldig om te horen hoe zij over papa denken. Prachtige verhalen en anders als mijn eigen ervaringen. Dit is niet zo gek, we schelen immers bijna 14 jaar. Mocht je het willen weten; ja, ik ben een nakomertje. Daarna was het mijn beurt en aangezien ik me goed kan uiten met muziek, wilde ik graag iets zingen. Ik koos voor ‘If I can dream’ van Elvis Presley. Ken je het niet? Ga het zeker een keer luisteren. Het is een nummer over een visie, een passie en hoop. Ik sloeg met m’n vingers op de toetsen en ik zong de longen uit m’n lijf. Het laatste nummer was het moeilijkst. Er moest iets bij van The Rolling Stones, maar welk nummer? Ik wilde voor iedereen een toepasselijke en vooral positieve afsluiting. En zo geschiedde het. We staan in de aula, en ik kijk naar de kist. ‘Satisfaction’ komt op; een Rock n Roll afscheid. Daar ga je ouwe! Ik geef hem een knipoog, we lopen naar buiten en ik weet: het is goed…

‘‘Laat mij maar achter de bar ik elkaar zakken’’, riep hij altijd. Hoe gek het ook klinkt: het is prachtig dat dit hem gelukt is. Het biedt me troost dat hij precies zo is gegaan. In het harnas gestorven of zoals op de kaart stond: ‘’in z’n bretels’’, want deze droeg hij altijd. Voor ons allemaal is het erg, maar voor mijn moeder het meest. Ik had haar graag de jaren samen gegund nadat hij met pensioen zou gaan. Hij heeft namelijk zijn hele leven keihard gewerkt voor mama en ons gezin.

Maar wie is er vanaf nu de man in het gezin? Tegen wie moet ik nu opkijken? Later besef ik me dat ik dat zelf ga zijn en ik ben vastbesloten. Ik ga samen met Esmée een leven opbouwen en ik word op een dag zelf de man waar mijn kinderen tegen op gaan kijken!

Proost ouwe!